Stervend schaduwspel

~Ton Lathouwers

“Het stervend schaduwspel van de dag… en de aarde is vervuld van avond”

De titel van deze bijdrage is ontleend aan een boeddhistische tekst. Het is weliswaar geen koan-tekst - ze komt ook uit een andere traditie -, maar de geladenheid ervan komt wel heel dicht bij dat wat ons in de klassieke zenteksten wordt voorgehouden.

„Het stervend schaduwspel van de dag… en de aarde is vervuld van avond…‟ Het klinkt geheimzinnig, als een raadselachtige vraag die ons wordt opgegeven, maar het is tegelijk ook een waarschuwing. Het tekent een perspectief dat zowel in positieve als in negatieve zin kan worden geduid. Wat hier gezegd wordt over avond- en schaduwspel – het blijkt uit de context waarin deze regels staan – raakt aan wat Hisamatsu uitdrukt in de moeilijkste regel van de gelofte aan de mensheid: "Laten we ons bewust zijn van de doodsstrijd, persoonlijk en maatschappelijk, en de bron ervan onderkennen".

Enkele jaren voor zijn dood schreef Hisamatsu een even schokkende als bewogen tekst: De ondergang van de moderne tijd. Daarin verbindt hij de bovenstaande regel uit zijn Gelofte direct met zijn ongerustheid over de ontwikkeling van onze Westerse cultuur. De hele tekst is een soort manifest, een oproep tot bezinning. Hisamatsu ziet onze moderne tijd bedreigd door een ramp van een omvang zoals die gesymboliseerd wordt door het oudtestamentische verhaal van de zondvloed. Hij beschrijft deze moderne zondvloed als een „crisis van totale vernietiging‟, die de hele aarde dreigt te omvatten en waarmee heel de mensheid geconfronteerd wordt:

“De lucht die we inademen dreigt elk moment meer te verworden tot een giftig gas. Het water dat we drinken dreigt elke dag meer te veranderen in een vergif dat voor alles wat leeft de ondergang kan betekenen…. Wetenschappelijke mogelijkheden, die wel degelijk ook ter vernietiging kunnen worden aangewend, worden steeds meer bepaald door een grenzeloos egoïsme… Wij leven in een noodtoestand die de wereld letterlijk dreigt te veranderen in een brandende hel … Deze crisis kan door geen enkele louter wetenschappelijke en politieke aanpak en evenmin door de traditionele religies bezworen worden. Er is zowel een fundamentele innerlijke ommekeer alsook een totaal nieuw standpunt nodig. Maar een hartstochtelijk verlangen om de wereld te redden is hier evenzeer vereist… We kunnen het ons niet langer veroorloven louter toeschouwers te zijn bij deze hopeloze tekenen van verval….Wij moeten zoeken naar de bron van dit verval… Wij moeten niet alleen deze kanker van de moderne tijd keren. Wij moeten de wereld op een totaal nieuwe wijze, creatief en concreet, uit de haar bedreigende ondergang doen verrijzen…De basis voor deze opstanding is de herontdekking van de onscheidbare eenheid van het Universele en het afzonderlijke, van gelijkheid en verschil, van Leegte en expressie, van het Ene en het vele.”

Deze tekst van Hisamatsu zou ik willen illustreren met een citaat uit het verhaal Shambala van de Nederlandse schrijver F.C.Terborgh (1902-1981). Het verhaal, dat door de auteur in een boeddhistische context is geplaatst, gaat over een Nederlandse sinoloog, Bading, die een reis maakt naar Verre Oosten. De regels die ik citeerde als titel voor deze bijdrage: „Het stervend schaduwspel van de dag…en de aarde is vervuld van avond…‟ zijn afkomstig uit dit verhaal.

Als een rode draad loopt door dit werk de tegenstelling heen tussen enerzijds het perspectief van de Grote Dood en Groot Ontwaken waarover niet alleen het boeddhisme maar elke authentieke religieuze houding spreekt, en anderzijds het zwarte perspectief waarvoor Hisamatsu in zijn Manifest waarschuwt. Het gaat om de twee tegengestelde houdingen die ook de Nederlandse dichter Ed Hoornik uitdrukt in zijn ontroerende gedicht Hebben en Zijn. Omdat die tegenstelling daarin zo aanschouwelijk en in zo‟n „gewone‟ taal wordt voorgesteld, en daardoor ook zoveel dichterbij komt, citeer ik het hier in zijn geheel:

Op school stonden ze op het bord geschreven;
Het werkwoord hebben en het werkwoord zijn.
Hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
De ene werkelijkheid, de andere schijn.
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven de dingen uitgeheven,
Vervuld worden van goddelijke pijn.
Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten,
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.
Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
Is kind worden en naar de sterren kijken
En daarheen langzaam worden opgelicht.

Terug naar Terborghs verhaal, waarin dit gedicht van Ed Hoornik voortdurend lijkt door te klinken. De reis naar het oosten die de hoofdpersoon in Shambala, de Nederlandse sinoloog Bading, onderneemt – of liever de innerlijke reis die hij daarbij maakt – illustreert het perspectief dat Hoornik aanduidt met het woord „zijn‟. Kort voor de aanvang van zijn tocht stuit hij op een bekend Chinees boeddhistisch boek: Het leven van Hsuan-Tsang. Deze beroemde pelgrim vertrok in de vijfde eeuw uit China, om op zoek te gaan naar de zuivere leer van het mahayana boeddhisme. Hij reisde alleen, dwars door Azië, door steppen en, door zwarte gebieden vol lava en door ruig bergland, over het Dak der Wereld. Tot hij uiteindelijk in India kwam, om daar te mediteren, te zoeken en de authentieke boeddhistische teksten te verzamelen. Tenslotte kwam hij acht jaar later in China terug, met alle teksten die hij gevonden had, en bracht daardoor nieuw leven in het Chinese boeddhisme.

Bading vertaalt enkele teksten uit het leven van Hsuan-Tsang, die ook in het verhaal van Terborgh zijn opgenomen. Het zijn fragmenten over doorstane gevaren en ontberingen, overwonnen moeilijkheden, over grootse vergezichten van haast onmenselijke leegte en eenzaamheid. Daarna begint het reisverhaal van Bading zelf, die zo'n 1500 jaar na Hsuan-Tsang dezelfde tocht onderneemt:

"Een onzekere tocht in de leegte begint, een tocht waar onzichtbare gevaren en Dood dreigen uit het niets. Gedurende eeuwen zijn hier karavanen langs getrokken, pelgrims, monniken, heiligen. Van de oude roem blijven enkel verweerde rompen van leem over.
Het avontuur begint; het grote en onbekende, het niet te voorziene. Weten wij waarnaar wij zoeken? Geloven wij werkelijk het te vinden? Of zijn wij er heimelijk van bewust dat wij het essentiële, dat wij verlangen, hier nooit zullen zien? Op het vertrek komt het aan, op de steeds hernieuwde poging, op het opbreken, het zich niet gewonnen geven…
De rest is leegte zonder einde… Oude gedachten blijven achter; voor het nieuwe: een onbegrensde ruimte. Het onmetelijke breekt aan, lokt, en absorbeert… Voor de geest geen vast punt, geen beperking die aandacht vraagt; hij dwaalt, volgt ingeving en toeval. Vrij en gebonden tegelijk…"

Tegen de achtergrond van deze innerlijke zoektocht, die gestalte krijgt in een daadwerkelijke reis door verlaten gebieden zoals Hsuan-Tsang ooit tegenkwam, een reis waarbij Bading tenslotte omkomt in een sneeuwstorm, staat een ander verhaal. Het is een perspectief dat getekend wordt door de fransman die Bading kort na zijn aankomst in China ontmoet. Het laat de mogelijkheid zien van de catastrofe die Hisamatsu beschrijft in zijn Manifest, met bijna dezelfde woorden, alleen uitgebreider en nog meer bedreigend. Terborgh publiceerde deze tekst ruim veertig jaar geleden. Ze werd geschreven met dezelfde intuïtie voor de mogelijkheid van zo‟n vernietigende ontwikkeling die we bij Hisamatsu zien. Hier volgen de belangrijkste fragmenten:

"Laprade wees op een rij esdoorns aan de overkant. „Sterke bomen, zij hebben hun blad verloren, we zijn in het najaar. Maar als u goed kijkt zult u zien: drie ervan zijn dood: de derde, de vijfde, de zesde. En als u wilt weten waarom, hier is de oorzaak‟: een zwaar beladen vrachtwagen met slecht geregelde verbranding reed voorbij. Een zwarte wolk stank rolde over de weg. Gassen, giftige gassen; daar is op den duur geen boom tegen bestand. Maar niet alleen dit. Een motor verbruikt ook zuurstof, en beangstigend veel. Voor een enkele reis van ruim driehonderd mijl is even veel zuurstof nodig als toereikend wordt geacht voor een heel mensenleven. En de bronnen die de zuurstof leveren, de bossen, van zulk vitaal belang, worden gekapt, vernietigd, zonder dat men aan de gevolgen denkt. Onophoudelijk worden de steden armer aan oxygeen… Er zijn nu ruim dertig jaar van onze eeuw verstreken, en wat ons te wachten staat ligt voor de hand.
Een niet te remmen bevolkingsgroei in de komende decennia. En naast meer levende zielen, meer auto's, meer motoren, meer fabrieken en machines, meer verbranding, en meer verbruik van zuurstof - een beklemmende, een ademberovende vernieling van voor de mens vitale materie.
De chemie zal haar deel opeisen, in ongekende mate. En als u wilt weten wat enkele fabrieken aan dodelijke afval produceren, ga dan naar de rivier, naar de beken en kanalen in de buitenwijken, waar het stinkende bruine schuim opborrelt en kolkt, waar giftige dampen boven dood water hangen. En zie of daar nog een enkele levende vis is te vinden. Bomen en velden worden besproeid tegen plantenziekten. De grote vogelsterfte begint. Insecten verdwijnen, behalve die het schadelijkst zijn en een duivelse gave hebben zich aan te passen. Geen vrucht zal meer de natuurlijke smaak hebben. Wat nuttig is en bevorderlijk voor de mens verdwijnt. Het 'duurzame', het 'steriele' wordt aangeprezen, en vergeten wordt dat het in wezen gelijk staat met 'dood'. Het vale, het schimachtige ondermijnt de resistentie van het lichaam, de gezondheid slinkt en verzwakt.
De technocraten zullen opstaan en alle gezag opeisen, omdat zij naar hun mening de enige zijn die een zo ingewikkeld en diabolisch geheel nog kunnen beheersen en overzien. En men zal hen geloven en wijken. Niet de mens meer geeft het ritme aan, maar de machine, de nieuwe, duivelse tiran. Een blinde en doelloos groeiende productie, ter wille van het produceren zelf. Een steeds hectischer jachten in de steden, onrust en haast, opstopping en niet te voorzien tijdverlies. Niet meer het hart beslist, of de ademhaling, maar de meedogenloze robot.
Een tijd is aangebroken die elk menselijk doel uit het oog heeft verloren. Arrogant geloof in techniek, overschatting van wat berekend en gewogen kan worden, de roes van steeds duizelingwekkender vorderingen en constructies leiden tot de waan dat, wat maat noch gewicht heeft, ook niet existeert. Alsof het menselijk bestaan in enkele vergelijkingen is te vatten, te verklaren uit reeksen en verhoudingen van cijfers. Gevangen in de dode scheppingen van het verstand, vergeet de mens dat elke daad, elke gedachte, elke vondst een fragment alleen maar is, het antwoord geeft op slechts een enkele vraag, maar in wezen niets oplost. Erger nog: dat elk probleem waarop technisch kunnen een antwoord vindt, nieuwe problemen schept, groter en moeilijker en bedenkelijker dan het vorige. En de oude problemen blijven intussen bestaan: motoren verslinden zuurstof, verdelgingsmiddelen doden vogels, en afvalwater vernietigt visgronden… Elke samenhang is verloren gegaan, elke grote visie, en niemand schijnt het te hinderen.
Over dertig, veertig jaren zal het dreigend monster, het broedsel van de onverschilligheid, voor allen zichtbaar zijn. Het zal uit spleten rijzen en het schaarse water verderven, het zal boven de steden en in straten hangen, een verstikkende, giftige walm, die hart en longen aantast. Men zal commissies vormen, decreten publiceren, boeten opleggen, plannen maken. En het zal blijken dat het dramatische punt is bereikt. Het zal blijken dat de ontwikkeling niet meer ongedaan kan worden gemaakt. Erger nog: men zal haar zelfs niet tot staan kunnen brengen. Niemand ontkent de gevaren, maar eenieder verklaart en bewijst dat hij er zelf niets aan kan doen, dat zijn aandeel aan het bederf van water en lucht maar heel gering is, miniem vergeleken bij dat van anderen. Hij zal zeggen dat hij zijn apparaten, zijn technische, zuurstofverslindende gemakken nu eenmaal niet kan missen, omdat alles erop is ingesteld. Dat zuiveringsinstallaties te duur zijn, veel te duur, en economisch niet verantwoord. Dat men moet waken voor de gevaren van buitenlandse concurrentie; immers: houdt een enkel productiecentrum zich niet aan wat is afgesproken, dan is het nadeel voor anderen niet te overzien. Nadeel en voordeel zijn de uitsluitende overwegingen, de gemakken van het ogenblik, maar niet het gezond verstand. Laag winstbejag, egoïsme, zijn nu de grondslag van elk argument, en de niet uitgesproken en geruststellende gedachte dat pas een later geslacht met werkelijk vitale moeilijkheden zal hebben te kampen. Men went eraan, men leert met het groeiende monster te leven. Lapmiddelen, hier en daar, sussen het geweten en bedaren de groeiende onrust en angst. Wat hart en longen belast, wordt door medicijnen in hachelijk evenwicht gehouden. De wetenschap is immers, zegt men, 'met reuzenschreden vooruit gegaan'. En 'de wetenschap zal op alles een antwoord vinden'.
Weer een generatie verder, misschien niet eens, misschien veel minder, want het monster groeit met verbijsterende snelheid. Het leven is nagenoeg ondraaglijk geworden… Het is alsof het hart blijft stilstaan. In de krachtbronnen stagneert iets. Geen verbranding komt meer op gang. Geen energie wordt meer geleverd. Een evenwicht is verbroken. En niemand heeft het willen voorzien…
Het Grote Sterven begint. Elke weerstand neemt af. Alle leven wordt zwakker, primitiever. Hulpbronnen zijn uitgeput; slechts enkele gedegenereerde eilanden houden nog stand. En binnen weinig decenniën is een beschaving vergaan, vlugger dan Rome, en oneindig veel grondiger, vergeten, verwaaid onder stof; nog slechts een vage legende."

Een beklemmend relaas, door Terborgh een halve eeuw geleden neergeschreven, maar met een profetische kijk op wat er in de toekomst kan gebeuren als de fundamentele verandering niet plaatsvindt waartoe Hisamatsu oproept.

"Het stervend schaduwspel van de dag… en de aarde vervuld van avond…" Deze dubbelzinnige woorden houden inderdaad ook de mogelijkheid in van het onheilspellende scenario dat hierboven wordt getekend. Maar ze houden op paradoxale wijze evenzeer het tegendeel in: het geloof tegen alle evidenties in dat elke dood overstegen kan worden, elke „doodsstrijd, persoonlijk en maatschappelijk‟, ook het verschrikkelijke perspectief dat hierboven werd gesuggereerd.
Eén van de laatste regels in het verhaal gaat over het „verzoenende licht‟, juist van de ondergaande zon. Het is dit „verzoenende licht‟ dat in zoveel verhalen van Terborgh terugkeert, juist in uitzichtloze situaties, als verwijzing naar dat onuitsprekelijke dat nooit te bewijzen is maar enkel persoonlijk ervaren kan worden. Dat is ook de boodschap van Terborghs verhaal Shambhala, een verhaal dat ik iedereen kan aanbevelen.

Bron: Maha Karuna Ch’an: Nieuwsbrief 2010 Nr. 1