Zhongheji

Zhongheji
Bloemlezing over 
Centrale Harmonie

Door Li Daochun

Uit het Chinees vertaald
en toegelicht door
Rob Tans




Zie: Uitgeverij Nachtwind

De Zhongheji is een verzameling taoïstische teksten uit de dertiende eeuw. Ze bevat essays, liederen, gedichten, toespraken en dialogen van de taoïstische meester Li Daochun waarin een overzicht wordt gegeven van de leer van de Chinese innerlijke alchemie en maakt deel uit van de taoïstische canon. Het zijn diepzinnige teksten over de aard van de mens en de essentie van ons leven, waarin op nu eens zakelijke en puntige, dan weer bloemrijke en dichterlijke wijze uiteen wordt gezet hoe de mens zijn ware aard en bestemming kan vervullen.

In zes hoofdstukken wordt op verschillende manieren ingegaan op dit hoofdthema, waarin steeds weer naar voren komt dat de ware menselijke aard bij iedereen aanwezig is en door iedereen gerealiseerd kan worden. Door openheid en kalmte te beoefenen kan men in het leven ‘omgekeerd gaan’, terug naar de oorspronkelijke eenheid, in plaats van meegaan met een steeds verdergaande ontwikkeling. Li Daochun zegt: ‘Leeg en wijd, zonder grenzen, dat is de openheid van de hemel; grenzeloze uitgestrektheid in alle richtingen, dat is de kalmte van de aarde. De Dao van hemel en aarde is enkel openheid, enkel kalmte. Wanneer openheid en kalmte in jezelf zijn, dan zijn hemel en aarde in jezelf.’ En: ‘Zuiver vitaliteit tot levensadem, zuiver levensadem tot geestkracht en zuiver geestkracht terug tot openheid.’ In contact met steeds subtielere lagen wordt dan uiteindelijk de uiterste leegte als het zelf ervaren. Over deze uiterste leegte zegt hij: ‘Het is onkenbaar, heeft geen kenmerken, en is geluidloos en geurloos; het wordt uiterste diepte genoemd. Alleen dit is het: de volledige werkelijkheid, het subtiele fundament. Mensen kunnen er in doordringen, en kennen dan onmiddellijk het allereerste begin.’

De Eerste rol: De oorspronkelijke boodschap van de verborgen leer
Het Grootste Uiterste

Boeddhisten zeggen ‘volmaakte verlichting’, taoïsten zeggen ‘gouden pil’, confucianisten zeggen ‘het Grootste Uiterste’. Met wat wordt genoemd ‘uiterste leegte en het Grootste Uiterste’, benoemen we dat wat geen uitersten heeft. Boeddhisten zeggen: ‘Zoals het is, onbeweeglijk, altijd helder bewust’, de I Tjing zegt: ‘Stil en onbeweeglijk, en toch gevoelig en effectief ’, en in een alchemistische tekst wordt gezegd: ‘Lichaam en geest zijn onbeweeglijk; daarna is er de terugkeer van een werkelijk potentieel zonder einde.’ Dit alles is taal voor de subtiele wortel van het Grootste Uiterste. Dus weten we dat stabiele kalmte door de drie doctrines hoog wordt gewaardeerd. Een oude confucianistische meester noemde het ‘meester zijn in kalmte’. Wanneer het menselijke hart verzegeld is door een vaste kalmte, nog niet bewogen wordt door dingen, dan schijnt het hemelse patroon er doorheen; dat is de subtiliteit van het Grootste Uiterste. Zodra het wordt bewogen door dingen, is er de neiging tot eenzijdigheid; dat is de verandering van het Grootste Uiterste. Zolang onbewogenheid, kalmte en stabiliteit zorgvuldig
bewaard worden, is het hemelse ontwerp steeds helder, het lege bewustzijn niet verduisterd, en heb je in elke kwestie de leiding als je handelt, wat er ook zou kunnen opkomen. Door het toepassen van kalme stabiliteit wordt een werkelijk herstel van het oneindige zonder verwachtingen als vanzelf bereikt. Het Grootste Uiterste is weer responsief en helder, en het patroon van de tienduizend dingen in de wereld is volledig en beschikbaar in jezelf.

In het Boek der Riten staat: ‘Als blijdschap, woede, verdriet en vreugde nog niet zijn opgekomen, noemen we dat centraal; als ze wel zijn opgekomen en in proportie worden uitgedrukt, noemen we het harmonie.’ Niet opgekomen zijn betekent: in het centrum van oplettende aandacht stabiele kalmte bewaren; daarom wordt dat centraal genoemd. Omdat ze bestaan en toch onstoffelijk zijn, spreken we van ‘de wortel van alles onder de hemel’. Worden ze in proportie uitgedrukt, dan is men tijdens het handelen zorgvuldig met wat wordt geuit, en daarom noemen we dat harmonie. Wanneer men het midden houdt in alles wat wordt geuit, dan is er sprake van ‘het bereiken van de Dao voor alles onder de hemel’. Werkelijk, als je centrale harmonie kunt bewerkstelligen in je zelf, dan ben je fundamenteel open en bewust, stil en toch wakker, actief en toch precies. En daardoor ben je in staat de eindeloze veranderingen van alles onder de hemel te beantwoorden. Lao Zi zei: ‘De mens die in staat is steeds helder en kalm te blijven, kent de terugkeer van alles tussen hemel en aarde.’ Dat is hetzelfde als: ‘Bewerkstellig centrale harmonie, en hemel en aarde zijn in positie, en de tienduizend dingen gedijen.’ Centrale harmonie is de subtiele functie van doordringende gevoeligheid, de kern van de werking waarmee op verandering wordt gereageerd; het is het geheel van de doorgaande stroom van productie en groei, en beweging en stilstand, waarover de I Tjing spreekt. De hieraan gegeven titel ‘Centrale Harmonie’, is dat geen passende benaming?