Stille renaissance

~Jan Oegema

De afgelopen decennia is mediteren langzaam gemeengoed geworden. Niet op grote schaal, maar toch. In spirituele centra en in kerkelijke bijzaaltjes, tijdens wekelijkse bijeenkomsten of meerdaagse retraites: mediteren begint erbij te horen. Jong en oud, bouwvakker en intellectueel, christen en atheïst: door de oogharen zien de stiltezoekers elkaar zitten in een kring, de handen in een mudra, de billen op een kussen of een bankje, wachtend op de klankschaal die hen uit deze allengs ongemakkelijker positie bevrijdt. Mudra duidt op de positie van de handen: de linker rustend op de rechter, liefst niet te ver onder de navel.

De gestes die de stilte begeleiden komen bijna allemaal uit het oosten, een zichtbaar bewijs dat stilte zoals wij die celebreren een importproduct is. Natuurlijk, het Westen heeft zijn woestijnvaders, zijn al dan niet ingemetselde kluizenaars, zijn romantici die in alleen de natuur introkken, zijn nonnen en monniken in de afzondering van hun cellen. In het continent van de lege kerken (zoals Europa aan het eind van de vorige eeuw werd genoemd) is stilte niet nieuw. Maar we beleven haar wel opnieuw, dankzij de technieken en rituelen overgenomen uit exotische oorden.
Zo kan gemakkelijk de gedachte postvatten dat we de stilte die we tot ons nemen een van hindoeïstische of boeddhistische origine is. Maar dat is een misvatting. Waar culturen zich mengen ontstaat onherroepelijk iets nieuws, iets met een eigen signatuur. We benaderen de stilte vanuit onze eigen culturele achtergrond en mentale concepten, en zonder dat we het beseffen verandert daardoor ook de stilte zelf. Onze stilte is geen hindoeïstische of boeddhistische, ze is onze eigen westerse, crossculturele stilte.

En om de demystificatie meteen een stap verder te voeren: het lijkt erop dat het exotische aura van de nieuwe stilte een product is van westerse fantasie. Beauty is in the the eye of the beholder, in dit geval. We denken uitkomst te vinden in vreemde religies, maar wat ons daarin treft, is ten dele ons eigen maaksel. De Leidse boeddholoog Jonathan Silk zegt in dit verband: ‘Sommige boeddhisten mediteren, maar meditatie is geen centraal aspect van de meeste boeddhistische praktijken. Het is eerder een moderne, westerse interpretatie van het boeddhisme.’

We zijn dus ongemerkt bezig onze eigen stilteculturen te creëren, dat is fascinerend om mee te maken. We zijn al enkele decennia getuige van een ware stilterenaissance. En zoals Pico della Mirandola op zijn manier de Oudheid gebruikte, zo gebruiken wij nu de teksten uit de rijke korven van de yogatraditie en het Mahayana-boeddhisme. Pranayama? Vipassana? Mindfulness? Voortzetting van christendom, humanisme en Europese levenskunst met onverdachte middelen. Waarbij ons ontgaat hoe anders onze stilte is vergeleken met de culturen waaraan we haar denken te ontlenen.

Zeker, onze stilte is anders. Onze omgang met stilte staat in een lange traditie van psychologiserend zelfonderzoek, begonnen bij kerkvader Augustinus. In de stilte ontmoeten we in de eerste plaats onszelf, een individu met buitengewoon individuele verlangens, vragen, preoccupaties, blokkades, een individu bovendien met een onvervreemdbaar eigen geschiedenis. Die geschiedenis is in bij de klassieke technieken van yoga en zen irrelevant; voor ons is ze dat allesbehalve. Als iets opvalt in de getuigenissen van moderne westerlingen die een oosterse weg gaan, dan wel het aandeel van de autobiografie en de individuele levensvragen. De artikelen die ze schrijven, de boeken die ze afscheiden: ze bevatten doorgaans een sterk persoonlijk element. Deze auteurs kunnen licht menen dat ze een nieuwe weg zijn ingeslagen, maar in feite lopen ze hand in hand met de dichters uit de Romantiek, die de stilte van de natuur zochten uit behoefte daarin een spiegel te ontdekken voor het zelf.

‘Iemand die in zijn leven niet ruimhartig ruimte maakt voor eenzaamheid, zal nooit de capaciteiten van zijn intellect ontrafelen,’schrijft Thomas de Quincey aan het begin van de negentiende eeuw.
Mediterenden in het westen miskennen hun eigen culturele wortels. Overigens is dit zonder ironie geconstateerd; cultuurgeschiedenis kent eenvoudig haar eigen ironieën. Ik vind het juist geweldig hoe westerse auteurs de stilte nu exploreren en haar aan taal helpen. Ik geniet juist van de persoonlijke toon van hun impressies, ik geniet van hun particuliere observaties naar aanleiding van een koan – die helpen mij vaak meer dan de koan zelf. Ik vermoed zelfs dat ook Aziaten daar steeds meer van zullen profiteren; niets zo weldadig als de frisse blik van de toegewijde beginneling.
En zen mind is beginners mind, per slot. Inmiddels in onze contreien al bijna een gevleugeld spreekwoord.

Een goed voorbeeld van autobiografisch getint proza gecombineerd met beginnersnieuwsgierigheid is te vinden in de dagboeken van Oek de Jong, De wonderen van de heilbot (2003). Tussen de regels door laat hij merken met enige regelmaat op een meditatiekussen plaats te nemen. De ervaringen die hij al zittende heeft opgedaan leidden tot een observatie die om verschillende redenen interessant is. In het navolgende fragment verwijst de Jong overigens niet naar Oosterse wijsheidsliteratuur, maar naar de Apophtegmata, een verzameling teksten afkomstig van woestijnvaders en ontstaan circa 300 na Christus.

In de Apophtegmata [...] zegt ene Abt Pastor: ‘Any trial whatever that comes to you can be conquered by silence.’ Ik geloof dat dit waar is, maar meestal ben ik niet in staat om die stilte toe te laten, en als ik ertoe in staat ben, dan weet ik haar niet lang genoeg te bestendigen, en als ik haar tot stand kan brengen dan maak ik haar ten slotte toch weer kapot, vaak juist op het moment dat ik de werkzaamheid van die innerlijke stilte begin te voelen.

Dit is mooi opgeschreven. En er komt veel in dit fragment samen. Er is het verzet, het altijd weer de kop opstekende verzet om je aan de stilte over te geven. Er is het besef van vertraagde werking: als meditant weet je niet precies wat stilte met je doet, hoe die werkt en inwerkt. Er is de hulpeloosheid van het niet-weten, die maakt dat je als vanzelf troost zoekt bij de stiltezoekers die je zijn voorgegaan. Voor De Jong is dat een woestijnvader, een routinier die voor hem een twijfelachtig soort bemoediging in petto heeft: ‘Iedere beproeving, welke dan ook, kan men doorstaan in en dankzij de stilte.’

Maar behalve de kwaliteit van de observatie is er ook de kwaliteit van de woorden: die twee hangen samen. Dit is literatuur, en wel Europese literatuur, herkenbaar aan de combinatie van introspectie en zelfspot, vrijheidszin en een in dit geval subtiel gedoseerd defaitisme. Met vrijheidszin doel ik op de particulariteit en onafhankelijkheid van de waarneming, die haar autoriteit het liefst niet ontleent aan ideologie en moraal maar aan de intelligentie en elegantie van de verwoording.

Ja, wat zo aangenaam is aan dit fragment is de vrijheid ervan – de vrijheid van denken en voelen. Het lijkt erop dat westerlingen steeds vrijer durven te spreken over de stilte en de effecten daarvan, geholpen door een keur aan poëzie, bellettrie en populaire psychologie. Vergis ik me niet, dan is het vreemd genoeg onze verbaliteit die ons in het westen helpt de stilte verder of juist opnieuw te verkennen. Vreemd genoeg is het ons diepe vertrouwen, het op vele wijzen gevoede en op vele wijzen beproefde en geplaagde vertrouwen in het gesproken en geschreven woord waardoor we stilte met meer onbevangenheid tegemoet treden en in staat zijn haar als het ware aan zichzelf terug geven.
Klonk het niet dwaas en verwaand, dan zou ik zelfs durven beweren dat we de stilte zelfs een beetje stiller maken. Dat komt doordat we de stilte als stilte onderzoeken, doordat we haar met welhaast wetenschappelijke blik tegemoet treden. Als geoefende fenomenologen lichtten we haar uit de ideologische kaders van christendom en zenboeddhisme, taoïsme en hindoeïsme en onderwerpen haar met de frisse argeloosheid van de betere tv-maker aan vergelijkend warenonderzoek.
Die argeloosheid heeft recent tot een schokkende ontdekking geleid. Een ontdekking waardoor religieuze stilte nooit meer dezelfde zal zijn. Ze komt op naam van iemand die rebels en jong was in het hippietijdperk, een studievriendin van Bill Clinton. In de jaren zestig was ze een activiste, nu een moderne kluizenaar die bewust alleen ofschoon mét internet op een verlaten platteland woont. Na de luidruchtige revolutie van de flower power voor deze auteur nu de geruisloze renaissance van de stilte.

Sara Maitland werd geboren in 1950 en is in Engeland niet alleen bekend als literair auteur maar ook als feministe. In 2008 publiceerde ze A Book of Silence, waarvan de vertaling (Stilte als antwoord) in deze krant werd besproken op 20 maart 2010. Dit boek is een essay in de beste zin van het woord: een intellectueel avontuur en een persoonlijke zoektocht culminerend in een onafhankelijke visie. Maitland heeft jaren nagedacht over stilte, stapels literatuur doorgenomen en zich onderworpen aan verschillende experimenten. Ze verhuisde van de grote stad naar een huisje op de zeer stille hei, woonde veertig dagen op een praktisch onbewoond eiland voor de Schotse kust, liet zich opsluiten in een cabine voor sensorische deprivatie en reisde naar de Sinaï om persoonlijk de stilte van de woestijnvaders te ondergaan.

Hun ervaringen – van die vaders dus – vergelijkt ze onder meer met die van bergklimmers en solozeilers, twee categorieën van avonturiers die blootstaan aan langdurige stilte. De vergelijking is verrijkend en ontnuchterend. Ze komt tot de conclusie dat hetgeen in de christelijke traditie doorgaans aan God is toegeschreven, in feite een effect is van de stilte zelf. Ze somt acht kenmerken op die gevonden kunnen worden bij individuen die lang in stilte vertoeven. Ik zet ze even achter elkaar om een indruk te geven. Stilte leidt tot een verheviging van zintuiglijke en emotionele indrukken; spontane manifestaties van ontremd gedrag; een sterk op de voorgrond tredend besef van dankbaarheid en verbondenheid; gehoorshallucinaties; vervaging van grenzen en persoonlijke identiteit; een opwindend besef van risico en gevaar lopen; gewaarwordingen van onuitsprekelijkheid en van grote gelukzaligheid.

Interessant is nu dat Maitland lid is van de Anglicaanse kerk, een feit dat ze niet op de voorgrond plaats maar toch meespeelt in haar studie. Haar interesse voor stilte is ook een religieuze interesse, vandaar ook dat ze als participerend onderzoekster op bezoek ging bij stilte-experts in het Westen – de quakers – en in het Oosten – de zenbboeddhisten. Maar het denken over stilte dat ze in beide kampen aantrof overtuigde haar niet. Waarom niet?

Omdat stilte in praktisch alle religie als instrumenteel wordt gezien. Stilte geldt als een middel, bijvoorbeeld om zich open te stellen voor de goddelijke aanwezigheid, bijvoorbeeld om staten van samadhi of verlichting te bereiken. Maar vergelijkend warenonderzoek leert Maitland dat stilte méér is dan een middel-tot. Het is het ding zelf, het Ding-an-sich, waarvan de inwerking zich volgens haar grotendeels aan onze meditatieve waarneming voltrekt.

Daarmee doet ze overigens geen statement tégen de religie, want religie is voor Maitland een bewezen weg om stilte werkzaam en heilzaam te maken. Wel doet ze een statement tegen het routineuze religieuze denken over stilte. Religies zien de inkeer in stilte hooguit als een wijze van voorbereiden; het heilige dient zich in of na de stilte te openbaren. Religie is altijd gefixeerd op het moment waarop de stilte onderbroken en doorbroken wordt, alsof pas dán het heil zich manifesteert en het uur u zich aandient. Maar het overgrote deel van het heil bevindt zich in de stilte zelf, zoals Maitland overtuigend weet aan te tonen aan de hand van logboeken van haar alpinisten en zeezeilers. Die maken gewag van sensaties van dankbaarheid en givenness (een Engels woord dat beter onvertaald kan blijven) van vergelijkbare intensiteit als die we kennen uit de biografieën van bekende en minder bekende religieuzen.

Mijmerend over het boek van Sara Maitland laten zich twee conclusies treken. We zijn stilte intrigerend gaan vinden en bestuderen haar nu met welhaast wetenschappelijke hartstocht. Dat geldt overigens niet voor religieuze stiltezoekers maar ook voor beoefenaars van de kunsten en de humanoria. Dichters hebben een verbond gesloten met de witregel, componisten hebben hun publiek leren luisteren naar leegte, filosofen zijn mateloos geboeid door wat er aan de grenzen van taal en waarneming gebeurt.
Ook wetenschappers hebben intussen de stilte ontdekt. In boeddhisme geïnteresseerde psychologen meldden met enige regelmaat dat meditatie meetbare en positieve gevolgen heeft voor concentratie en gezondheid, een mededeling overigens die iets te opgewekt zondigt tegen een oude spirituele waarheid. Ze voedt namelijk de illusie alsof wij het zelf zijn die al die positiviteit bewerkstelligen, alsof we die te danken hebben aan onze ‘ikkracht’ – terwijl we in feite dankbaar moeten zijn voor de ‘anderkracht’ van de stilte.

Die noodzakelijke nuancering voert naar een tweede conclusie. Een ongemakkelijke conclusie, omdat ze zo aanmatigend klinkt: de stilte is stiller aan het worden. Bij de avant-garde van de stilteverkenners is het besef groeiende dat de oude oorzaak-gevolg-redenaties aan herziening toe zijn. We worden niet gelukkig omdat we meditatietechnieken toepassen: het geluk kruipt onder die technieken door. God schenkt ons geen vrede omdat we stil zijn: de vrede komt met de afzondering en de inkeer.
Dat betekent dat de stilte leger wordt, minder goed inpasbaar in onze mentale concepten. Daarmee wordt ze misschien ook angstiger, want ze biedt de stiltezoekende mens nóg minder houvast dan voorheen. Maar die stiller wordende stilte zal voor menigeen ook bevrijdend kunnen werken, want ze neemt de duizelingwekkend hoge doelen weg waarop de religieuze stiltezoeker zich van oudsher geacht werd te richten.

Wordt de stilte daardoor minder religieus? Dat kan, dat hoeft niet. De religieuze verbeelding is lenig en nieuwsgierig, ze voedt ze voortdurend met nieuwe feiten en sensibiliteiten. Sara Maitland komt in haar boek tot de slotsom dat God voor haar niets dan stilte is. Ze zegt dat op een manier die een diepe vertrouwdheid verraadt met de mythologie van het christendom. Ik voel althans op de achtergrond een eigen interpretatie van de kruisdood meeklinken.

‘God is stilte, een stilte die positief, levend werkelijk en van ‘nature’ onbreekbaar is. […] In plaats van dat alle stilte wacht om te worden doorbroken, schreeuwt alle spraak het misschien wel uit […] om weer te worden opgenomen in de stilte, in de dood, in de nauwelijks waarneembare ruimte die opent naar de aanwezigheid van de eeuwigdurende stilte.’

En ik voel op de achtergrond nóg iets meeklinken. De eeuwigdurende stilte… eigenlijk is die stilte betrekkelijk recent. En ze is van westerse origine. Die stilte is alleen maar denkbaar en voorstelbaar dankzij een wetenschappelijke ontdekking die inmiddels behoort tot het bezonken cultuurgoed van de beter opgeleide West-Europeaan.

Rond 1930 lanceerde de Belgische priester en astronoom Georges Lemaître de oerknaltheorie. Het begrip oerknal komt niet van hem, de achterliggende theorie wel. Nadenkend over de betekenis van infraroodverschuivingen kwam Lemaitre tot de conclusie dat het heelal gestaag uitdijt. De ruimte rondom ons is niet statisch, begreep hij, ze is in beweging en breidt zich iedere minuut uit met miljoenen kubieke kilometers vacuüm. Later in de eeuw kwam daar het besef bij dat geluidsgolven zich niet kunnen voortplanten in een molecuulloze atmosfeer. Zo drong mede dankzij Lemaître langzaam tot ons door dat stilte het hoofdbestanddeel moet zijn van het groteske universum dat ons omhult.

Dit besef is even onbevattelijk als onvergetelijk. Het is een besef dat zich in het dagelijks leven goed laat verdringen – totdat je op een meditatiebankje plaatsneemt en je je opent voor de stilte. En je op een dag begint te dagen dat jij als moderne westerling de stilte anders beleeft dan anders dan de boeddhistische kluizenaar die tegen het ochtendgloren wacht op de eerste merels, anders dan de woestijnvader die bij de eerste zonnestralen de volgende psalm memoriseert. Die merels zingen nog altijd wonderschoon, zoals de zon zich in de eerste uren van een woestijndag weldadig aan de hemel toont. Maar áchter die hemel? Wat huist daarachter? Een koelbloedig expanderende stilte.


Dit essay verscheen op 22 oktober 2011 in het kater Letter & Geest van Trouw.