~Ton Lathouwers
Toen ik voor het zomernummer - dat een beetje een Rilke-nummer is - iets wilde schrijven, schoot mij onmiddellijk het gedicht „Du, der ich's nicht sage…‟ te binnen. Het is voor mij het mooiste en ontroerendste gedicht, ook het meest nabije en intieme, dat ik van Rilke ken. Het kwam op mijn weg kort nadat ik in Leuven was benoemd. Ik kreeg het van een van mijn studenten.
Het was een getuigenis dat mij zozeer raakte, dat het een motto is geworden voor mijn zoektocht, die ooit begon met Russische literatuur en daarna doorliep in mijn kennismaking met het zen-boeddhisme. Het kwam bovendien op een verrassende manier overeen met een tekst, die ik aantrof in een boek over het boeddhisme dat ik in hetzelfde jaar meenam op vakantie: Buddhist scriptures through the ages.
In het lezen van deze tekst lag voor mij - naast Fortmann's pleidooi voor de ontmoeting tussen het boeddhisme en de joods-christelijke traditie - de aanleiding om een jaar later naar Japan te gaan en mijn zenweg te beginnen.
De boeddhistische tekst die ik hier bedoel was ook een gedicht of liever een gebed, en wel van iemand die ook in onze zen-traditie genoemd wordt als we de „lijn van de transmissie‟ zingen, namelijk Rahula Bhadra. Men weet niet precies wie deze Rahula was, waarschijnlijk een leerling van Nagarjuna, die beschouwd wordt als de grondlegger van het mahayana boeddhisme en een van de grootste figuren na de Boeddha.
In dat op vakantie meegenomen boek vond ik Rahula Bhadra's Hymne aan de Wijsheid voorbij alle wijsheid, de hymne die tot het vaste repertoire behoort van de soetra's die wij zingen op onze sesshins. Het is een ontroerend getuigenis, waarin het onuitsprekelijke, het bodemloze, het niets, de leegte - al die termen waar boeddhisten zo sterk in zijn -, ineens, als door een wonder, precies zo intiem verwoord wordt als ik dat in het gedicht van Rilke had aangetroffen. In beide gedichten wordt die bodemloosheid aangesproken als een JIJ. Voor Rilke met zijn christelijke achtergrond begrijpelijk, maar voor een boeddhist als Rahula zeer uitzonderlijk.
Laat ik eerst de regels uit Rahula's Hymne citeren, die voor mij doorklinken in Rilke's gedicht:
“Wees gegroet, Wijsheid voorbij alle wijsheid, die aan alle denken voorbij reikt, die alle taal volledig overstijgt, die gelaatloos en beeldloos bent… en toch bezongen in duizend namen en duizend vormen en duizend beelden…
Wees gegroet, Ondoorgrondelijke Stilte die door niets wordt gedragen en door niets wordt gehinderd. Jij, die van nergens bent gekomen en nergens naar op weg bent… Zelfs de meest wijzen onder de mensen hebben jouw woonplaats nooit kunnen bepalen.
Wees gegroet, bodemloosheid en lichtvol mysterie. Hoe moeilijk is het jou waarachtig te herkennen. Als in luchtspiegelingen word je waargenomen, en toch word jij dan niet aanschouwd.
Wees gegroet, bron van ons eeuwige verlangen.
Wees gegroet, Moeder en oergrond van al wat is. Als wij niet gedragen worden door liefde juist tot Jou, zal ons omgaan met de tienduizend dingen gevangen blijven in het web van begeerte en afkeer”.
Het boekje van Rilke waarin het gedicht Du der ich's nicht sage…opgenomen is, heet 'Aantekeningen van Malte Laurids Brigge'. Rilke zelf noemde deze Aantekeningen poëzie, maar het is feitelijk proza. Het gaat over iemand die in grote eenzaamheid leeft en zich in een totale innerlijke impasse bevindt en in het besef „niets te zijn‟.