Op de juiste weg [03]

DE STADIA VAN WAAKZAAMHEID

~Rabbi Moshe Chaim Luzzatto

Iemand die over zichzelf wilt waken moet twee dingen in overweging nemen. Ten eerste moet hij overwegen wat het ware goed vormt dat een persoon zou moeten verkiezen en wat het ware kwaad waar hij van zou moeten vluchten; en ten tweede moet hij zijn handelingen overwegen om te ontdekken of zij tot de categorie goed of kwaad behoren. Dit is zowel van toepassing wanneer er sprake is van een specifieke handeling als wanneer daar geen sprake van is. Wanneer er sprake is van het uitvoeren van een specifieke handeling, dan zou hij niets moeten doen voordat hij zijn handelingen in de weegschaal van het bovengenoemde begrip heeft afgewogen.

En wanneer zo‟n kwestie er niet is, zou het idee de vorm aan moeten nemen dat hij zichzelf de herinnering, van zijn daden in het algemeen voor de geest haalt en ze evenzo weegt in de weegschaal van dit criterium, om wat zij aan kwaad bevatten zodanig te elimineren, dat hij het terzijde kan leggen, en het goede opdat hij er standvastig in kan zijn en zichzelf erin kan sterken. Indien hij iets in hun vindt dat kwaad is, zou hij moeten overwegen, en pogen te beredeneren, welk plan hij zou kunnen gebruiken om zich van dat kwaad af te keren en zichzelf er van te zuiveren. Onze wijzen hebben dit ons in hun verklaring geleerd (Eruvin 13b): “Het zou voor een mens beter zijn om niet geschapen te zijn. Maar nu dat hij geschapen is, laat hem zijn daden onderzoeken”. Anderen zeggen: “Laat hem zijn daden „voelen‟.” Het moet gezien worden als twee versies die twee solide weldoende uitlatingen omvatten. Want “onderzoek” van zijn daden verwijst naar een onderzoek van zijn daden in het algemeen en het overwegen van hen om vast te stellen of zij mogelijkerwijs geen bepaalde handelingen bevatten die niet uitgevoerd zouden moeten worden, die niet in overeenstemming met G‟ds voorschriften en Zijn wetten zijn; iedere zodanige handeling moet compleet worden uitgeroeid. Echten, “gevoel” impliceert het onderzoeken van de goede handelingen zelf, om vast te stellen of zij enig aspect met zich meebrengen welke niet goed is of enig aspect van het kwaad waarvan het nodig is om die te verwijderen en uit te roeien. Dit is in overeenstemming met het gevoel van een mens bij het onderzoeken van een kledingstuk of het materiaal goed en sterk is of zwak en vergaan. Met hetzelfde respect moet hij zijn handelingen “voelen” door hen te onderwerpen aan een heel diepgaand onderzoek om hun aard vast te stellen, zodat hij mogelijkerwijs vrij blijft van elke onzuiverheid.

Samenvattend, een mens zou al zijn handelingen moeten observeren en al zijn manieren moeten bewaken zodat hij zichzelf niet overlaat aan een slechte gewoonte of een slechte trek, laat staan een zonde of een misdaad. Ik zie het als een noodzakelijkheid voor een persoon om voorzichtig zijn manieren te onderzoeken en ze dagelijks te wegen op de wijze van de grote kooplieden, die constant al hun ondernemingen evalueren zodat zij niet mislukken. Hij zou vaste tijden en uren moeten reserveren voor zijn overwegingen zodat het geen toevallige kwestie is, maar een die met de grootste regelmaat wordt geleid, want het levert een rijke opbrengst op.
Onze wijzen hebben ons de noodzakelijkheid van zo‟n evaluatie geleerd, toen zij zeiden (Bava Batra 78b): “Daarom zeggen de heersers: „Laat ons een berekening maken‟(Bemidbar 21:27). Daarom zeggen de heersers over hun kwade neigingen, ‟Laat ons samenkomen en de rekening van de wereld opmaken, het verlies wegstrepen tegen de uitvoering van een voorschrift, met het oog op de winst die men daardoor verkrijgt, en de winst die men verkrijgt tegen een overtreding met het oog op het verlies dat zij met zich meebrengt…

Deze ware raad zou niet kunnen worden gegeven, noch zijn waarheid herkend, dan enkel door degenen die al vertrokken zijn vanonder de hand van hun kwade neiging en over hem heersen. Want indien men nog gevangen is door zijn kwade neiging, dan kunnen zijn ogen deze waarheid nog niet zien en kan hij haar nog niet herkennen. Want de kwade neiging verblindt letterlijk zijn ogen en hij wordt als iemand die in het donker loopt en waar zich struikelblokken voor hem bevinden die zijn ogen niet zien. Zoals onze wijzen hebben gezegd (Bava Metzia 83b): “U gaf duisternis op en het was nacht (Psalm 104:20). Dit verwijst naar deze wereld die gelijk is aan nacht”. Hoe verwonderlijk is dit ware commentaar voor hem die zich concentreert om het te begrijpen. Want de duisternis van de nacht kan twee soorten vergissingen in relatie tot de ogen van een mens veroorzaken: het zou of zijn ogen kunnen bedekken zodat hij helemaal niet ziet wat er voor hem is, of het zou hem kunnen bedriegen zodat voor hem een pilaar op een mens lijkt. Op gelijke wijze is de aardgezindheid en materialisme van deze wereld de duisternis van de nacht in de ogen van de geest en veroorzaakt dat de mens zich op twee manieren vergist. Ten eerste staat het hem niet toe om de struikelblokken op de wegen van de wereld te zien, zodat de dwazen zorgeloos lopen, vallen, en verdwalen zonder vooraf enige angst te hebben ervaren. Zoals de Thora verklaart (Spreuken 4:19): “Het pad van de kwaadaardige is als complete duisternis; zij weten niet waarover zij struikelen,” en (Spreuken 22:3): “De wijze mens ziet het kwaad en verbergt zich, de dwazen gaan verder en worden gestraft,” en (Spreuken 14:16): “En de dwaas wordt woedend en waant zich veilig”. Want hun harten zijn standvastig en zij vallen voordat zij ook maar enige kennis van het bestaan van het struikelblok hebben. De tweede vergissing, die zelfs slechter is dan de eerste, komt voort uit het vervormen van hun zicht, zodat zij kwaad zien als ware het het goede zelf, en goed alsof het kwaad is, en hierdoor versterken zij zichzelf in het vasthouden aan hun kwade manieren. Want het is niet genoeg dat zij de bekwaamheid missen om de waarheid te zien, het kwaad staart hen in het gezicht, maar zij achten het ook raadzaam om krachtige vervangingen en op ervaring berustende bewijzen te vinden om hun kwade theorieën en verkeerde ideeën te ondersteunen. Dit is het grote kwaad dat hen omhelst en naar de diepte van vernietiging brengt. Zoals de Thora verklaart (Jesaja 6:10): “Het hart van deze natie is dik geworden en zijn oren zijn zwaar geworden, en zijn ogen zijn weggedraaid, opdat niet…” Dit alles omdat zij onder de invloed van de duisternis zijn en onderworpen aan de regels van hun kwade neiging. Maar degenen die zichzelf al hebben bevrijd van deze slavernij zien duidelijk de waarheid en kunnen anderen hierin adviseren.

Waar komt dit mee overeen? Met een doolhof, een soort tuin gebruikelijk bij de heersende klasse, die voor amusement is aangelegd. De planten daar zijn gerangschikt als muren waartussen veel in verwarring brengende en door elkaar heen gevlochten paden, die allemaal gelijk zijn; het doel van het geheel is de uitdaging om een zuilengalerij in het midden te bereiken. Sommige van de paden zijn recht en leiden direct naar de zuilengalerij, maar sommige brengen mensen aan het dolen, en dwalen ervan af. De wandelaar tussen de paden heeft geen mogelijkheid om te zien of te weten of hij zich op het juiste of op het verkeerde pad bevind, want zij zijn allemaal gelijkaardig en laten helemaal geen verschil zien aan het waarnemend oog. Hij zal zijn doel niet bereiken tenzij hij helemaal vertrouwd is, en visueel bekend, met de paden doordat hij ze heeft doorkruist en de zuilengalerij heeft bereikt. Hij echter, die een indrukwekkende positie in de zuilengalerij bekleedt, ziet alle paden voor zich en kan onderscheid maken tussen de juiste en de verkeerde. Hij is in een positie om degenen die hen bewandelen te waarschuwen en hen te vertellen, “Dit is het pad, neem hem!” Hij die gewillig is hem te geloven, zal de benoemde plek bereiken, maar hij die niet gewillig is om hem te geloven, maar liever zijn ogen vertrouwt, zal zeker verdwaald blijven en falen om het te bereiken.

Zo ook in relatie tot het begrip dat we behandelen. Hij die nog niet de heerschappij over zijn kwade neiging heeft bereikt bevindt zich te midden van de paden en kan tussen hen geen onderscheid maken. Maar degenen die heersen over hun kwade neiging, degenen die de zuilengalerij hebben bereikt, die de paden al hebben verlaten en die alle wegen helder voor hun ogen zien - zij kunnen degene adviseren die bereid is om te luisteren, en het is hen die we moeten vertrouwen.

En wat is het advies dat zij ons geven? - ‟Laat ons een berekening maken. Laat ons de rekening van de wereld berekenen”. Want zij hebben al ervaren, gezien, en geleerd dat alleen dit het ware pad is waardoor een mens het goede dat hij zoekt zou kunnen bereiken, en dat er niets is behalve dit.
Uit dit alles blijkt dat een mens constant - te allen tijde, en speciaal tijdens een vast afgesproken tijdstip van alleen zijn - moet reflecteren op het ware pad (volgens de verordening van de Thora) dat een mens moet bewandelen. Na met zo‟n reflectie bezig te zijn geweest zal hij tot overweging komen of zijn daden al dan niet over deze wegen gaan. Want door zo te doen zal het zeker gemakkelijk voor hem zijn om zichzelf van al het kwaad te zuiveren, en al zijn wegen te corrigeren. Zoals de Thora verklaard (Spreuken 4:26): “Beschouw het pad van uw voeten en al uw paden zullen worden gevestigd,” en (Klaagliederen 3:40): “Laat ons onze wegen uitzoeken en onderzoeken, en we zullen terugkeren naar G‟d.”