Uit: Anders dan we denken / zie boek
~Piet Winkelaar
Mystieke ervaringen zijn wonderlijk en mysterieus, maar niet alle mysterieuze
ervaringen zijn mystiek. Wanneer ze uitsluitend als wonderlijk, onbegrijpelijk of
paranormaal worden ervaren, vormt dit nog geen reden ze als mystiek te bestempelen.
In het verre verleden en binnen veel godsdiensten of sekten werden en
worden wonderbaarlijke en onbegrijpelijke verschijnselen in de regel als wonderen
beschouwd. Ze worden in nauw verband gebracht met mystiek en zouden
getuigen van een goddelijke openbaring. Wonderen lijken mede daardoor tot een
toetsbaar criterium van mystiek te worden bestempeld. Ten onrechte volgens mij.
Ik geloof niet in wonderen, omdat ik alles als een wonder beschouw, heeft Abraham
Maslow eens gezegd. Ik zou me daarbij kunnen aansluiten, maar de aanduiding
wonder heeft dan nog weinig betekenis. Wonderen zijn buiksprekende poppen
afhankelijk van de interpretatie die men eraan geeft. Ook het mysterieuze en
onverklaarbare wordt in veel gevallen op een bepaalde manier verklaard en begrijpelijk
gemaakt door naar een andere werkelijkheid te verwijzen of op nieuwe
vergezichten te duiden. Omdat mystieke ervaringen vaak ook als wonderbaarlijk
en onverklaarbaar worden gezien, ligt eenzelfde interpretatie voor de hand.
Het verschil tussen mystieke en andere mysterieuze verschijnselen of ervaringen
is niet altijd gemakkelijk aan te geven, omdat men in eerste instantie afhankelijk
is van de beschrijving van de persoon over zijn of haar ervaring. Het horen
van stemmen, uittredingen (aangeduid met OBE: Out of Body Experience) en
hallucinaties beschouw ik niet als typische kenmerken van mystiek. Dat geldt
ook voor verschijningen, bepaalde dromen of onvoorziene gebeurtenissen. De
Mariaverschijningen aan mevrouw Hille Kok uit Volendam en de brieven waarin
zij in de jaren negentig namens Maria de mensen oproept zich te hoeden voor
het kwaad en zich te bekeren, maken vooralsnog niet duidelijk dat het hier om
mystieke ervaringen gaat. Dat geldt ook voor de ervaringen van de drie kinderen
uit Fatima of van de zes kinderen uit Medjugorje in Joegoslavië waar Maria hen
sinds juni 1981 oproept tot bekering via de weg van het kruis. Het kan zijn dat
deze ervaringen een weerslag of interpretatie vormen van een mystieke ervaring
waarbij men een intensieve eenheid beleeft, waar het ik geen rol meer speelt en
de tijd lijkt stil te staan, maar daar wordt niet over gerept. Er is zelfs geen enkele
aanleiding dit te veronderstellen.
Posts tonen met het label Piet Winkelaar. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Piet Winkelaar. Alle posts tonen
Ervaringen van Franklin Jones [II]
Uit: Anders dan we denken / zie boek
~Piet Winkelaar
De biografie van Franklin Jones getuigt van een zekere megalomanie, gekoppeld aan een sterke wilskracht. Hij wil het onderste uit de kan en alles over het bewustzijn en de menselijke geest te weten komen. ‘Mijn opzet was om onafgebroken bewust te blijven op het niveau van het diepste centrum van de geest’, schrijft hij. De onverzettelijkheid en onverschrokkenheid waarmee hij zijn zoektocht naar het absolute bewustzijn en de ultieme ervaring onderneemt, lijkt op die van een Amerikaan die vanuit een werelddeel dat amper fietst de Tour de France wil winnen. Hoe ongelooflijk het ook mag klinken, het doel wordt bereikt.
In het najaar van 1963 komt hij tot het inzicht dat zijn zoeken naar de meest intensieve bewustzijnservaringen te maken heeft met een narcistische mentaliteit en hij raakt ervan overtuigd dat hij moet werken aan de dood van Narcissus. Hij ziet in dat hij een leraar nodig heeft om hem te helpen en vindt in New York een leraar in Kundalini-yoga. Kundalini kan verstaan worden als basisenergie die de wereld in stand houdt en als de manifestatie van een goddelijke moeder. Het gaat hier om een onderdeel van de Hindoeïstische of Indiase filosofie waar Advaita Vedanta centraal staat. Kundalini vormt de basis van alle bewustzijn. De oude Hindoes onderscheiden zeven chakra’s, zeven niveaus van bewustzijnservaring. Drie ervan zijn in het onderste deel van het menselijk lichaam gesitueerd: helemaal onderaan bij de anus het chakra van de materie die daar verteerd wordt afgescheiden. Daar vlakbij het chakra van de voortplanting en de seksualiteit. Daarboven in de buik, ter hoogte van de navel, ligt het chakra van de macht, waarmee we heersen en beheersen. Deze drie chakra’s duiden op de fysieke menselijke werkelijkheid. De bovenste drie chakra’s bevinden zich in het hoofd, waarbij in het strottenhoofd het chakra van de taal ligt dat verwijst naar de mens als sprekend wezen. Vervolgens is er het chakra van het heldere bewustzijn gelokaliseerd midden op het voorhoofd en het chakra van de extase en het zuivere inzicht dat gesitueerd wordt op de kruin, het punt waarbij je uit je bol kunt gaan. Wanneer dat gerealiseerd wordt spreekt men in de Vedanta over zelfrealisatie. De drie onderste en de drie bovenste chakra’s worden met elkaar verbonden door het chakra van het hart, daar waar de drie materiële dimensies worden getransformeerd in drie immateriële dimensies. Via het hart worden de fysieke elementen van voedsel, seks en macht als het ware omgezet in de meer geestelijke elementen van taal, bewustzijn en inzicht.
~Piet Winkelaar
De biografie van Franklin Jones getuigt van een zekere megalomanie, gekoppeld aan een sterke wilskracht. Hij wil het onderste uit de kan en alles over het bewustzijn en de menselijke geest te weten komen. ‘Mijn opzet was om onafgebroken bewust te blijven op het niveau van het diepste centrum van de geest’, schrijft hij. De onverzettelijkheid en onverschrokkenheid waarmee hij zijn zoektocht naar het absolute bewustzijn en de ultieme ervaring onderneemt, lijkt op die van een Amerikaan die vanuit een werelddeel dat amper fietst de Tour de France wil winnen. Hoe ongelooflijk het ook mag klinken, het doel wordt bereikt.
In het najaar van 1963 komt hij tot het inzicht dat zijn zoeken naar de meest intensieve bewustzijnservaringen te maken heeft met een narcistische mentaliteit en hij raakt ervan overtuigd dat hij moet werken aan de dood van Narcissus. Hij ziet in dat hij een leraar nodig heeft om hem te helpen en vindt in New York een leraar in Kundalini-yoga. Kundalini kan verstaan worden als basisenergie die de wereld in stand houdt en als de manifestatie van een goddelijke moeder. Het gaat hier om een onderdeel van de Hindoeïstische of Indiase filosofie waar Advaita Vedanta centraal staat. Kundalini vormt de basis van alle bewustzijn. De oude Hindoes onderscheiden zeven chakra’s, zeven niveaus van bewustzijnservaring. Drie ervan zijn in het onderste deel van het menselijk lichaam gesitueerd: helemaal onderaan bij de anus het chakra van de materie die daar verteerd wordt afgescheiden. Daar vlakbij het chakra van de voortplanting en de seksualiteit. Daarboven in de buik, ter hoogte van de navel, ligt het chakra van de macht, waarmee we heersen en beheersen. Deze drie chakra’s duiden op de fysieke menselijke werkelijkheid. De bovenste drie chakra’s bevinden zich in het hoofd, waarbij in het strottenhoofd het chakra van de taal ligt dat verwijst naar de mens als sprekend wezen. Vervolgens is er het chakra van het heldere bewustzijn gelokaliseerd midden op het voorhoofd en het chakra van de extase en het zuivere inzicht dat gesitueerd wordt op de kruin, het punt waarbij je uit je bol kunt gaan. Wanneer dat gerealiseerd wordt spreekt men in de Vedanta over zelfrealisatie. De drie onderste en de drie bovenste chakra’s worden met elkaar verbonden door het chakra van het hart, daar waar de drie materiële dimensies worden getransformeerd in drie immateriële dimensies. Via het hart worden de fysieke elementen van voedsel, seks en macht als het ware omgezet in de meer geestelijke elementen van taal, bewustzijn en inzicht.
Ervaringen van Franklin Jones [I]
Uit: Anders dan we denken / zie boek
~Piet Winkelaar
Franklin Jones (1939) is een Amerikaan die enkele jaren filosofie studeerde aan de universiteit van Columbia en later Engels aan de universiteit van Stanford in Californië. Hij experimenteerde met allerlei bewustzijnstoestanden, omdat hij iedere mogelijkheid om ervaring op te doen zonder reserve wilde uitbuiten, zodat niets binnen de bestaande mogelijkheden hem onbekend zou blijven. Hij zocht, wat hij noemde, de werkelijkheid als werkelijkheid, niet wat beweerd wordt over wat is. In het derde jaar van zijn studie, in 1960, toen hij tot heel laat achter zijn bureau verbleef en het idee had dat er geen ervaringen meer waren waarmee hij nog geen kennis had gemaakt, overkwam hem iets wat hij later als volgt beschreef.
‘Toen beleefde ik, heel plotseling, op een bepaald moment een totale omwenteling in mijn energie en bewustzijn. Aan het verste einde van al dit bewustzijn opende zich een stijgend, absoluut gevoel van inzicht. En alle gedachte-energie die afdaalde in die diepte leek op een of ander onpeilbaar punt rechtsomkeert te maken.
De opstijgende impuls zette me op mijn benen en ik voelde een enorme vloed van kracht uit mijn diepten stromen en uitdijen zodat mijn hele lichaam en ieder niveau van bewustzijn gevuld werd met golven van de mooiste en meest uitbundige energie.
Ik voelde me totaal buiten zinnen, maar die waanzin was niet wanhopig. Er school geen zoeken noch dilemma in, er was geen vraag, geen onvervulde drijfveer, er was geen enkel oogmerk noch een aanwezigheid buiten mezelf om. Mijn kamertje was te klein voor die energie. Ik holde het huis uit de straat op. Ik dacht: vond ik maar iemand om mee te praten, om dit over te kunnen brengen. De energie in mijn lichaam was overweldigend en iedere cel van mijn wezen was vol van een extase die door zijn druk, zijn licht en kracht, bijna ondraaglijk was.
Maar het was midden in de nacht. In geen enkele kamer brandde licht. Ik kon niemand bedenken die ik wakker kon maken en die mijn ervaring zou begrijpen. Maar ik had het gevoel dat al zou ik een vriend tegenkomen, ik mezelf niet zou kunnen uitdrukken. Mijn woorden zouden alleen maar een soort onbeheerst, dichterlijk gebrabbel zijn.
Mijn hoofd deed pijn van de intense energie die mijn hersens verzadigde. Ik dacht: vond ik maar iemand die een aspirine voor me had of iets om me tot rust te brengen. Maar zo iemand was er niet. Uiteindelijk matte ik mezelf af door langs de straten te zwerven en keerde ik terug naar mijn kamer.’
~Piet Winkelaar
Franklin Jones (1939) is een Amerikaan die enkele jaren filosofie studeerde aan de universiteit van Columbia en later Engels aan de universiteit van Stanford in Californië. Hij experimenteerde met allerlei bewustzijnstoestanden, omdat hij iedere mogelijkheid om ervaring op te doen zonder reserve wilde uitbuiten, zodat niets binnen de bestaande mogelijkheden hem onbekend zou blijven. Hij zocht, wat hij noemde, de werkelijkheid als werkelijkheid, niet wat beweerd wordt over wat is. In het derde jaar van zijn studie, in 1960, toen hij tot heel laat achter zijn bureau verbleef en het idee had dat er geen ervaringen meer waren waarmee hij nog geen kennis had gemaakt, overkwam hem iets wat hij later als volgt beschreef.
‘Toen beleefde ik, heel plotseling, op een bepaald moment een totale omwenteling in mijn energie en bewustzijn. Aan het verste einde van al dit bewustzijn opende zich een stijgend, absoluut gevoel van inzicht. En alle gedachte-energie die afdaalde in die diepte leek op een of ander onpeilbaar punt rechtsomkeert te maken.
De opstijgende impuls zette me op mijn benen en ik voelde een enorme vloed van kracht uit mijn diepten stromen en uitdijen zodat mijn hele lichaam en ieder niveau van bewustzijn gevuld werd met golven van de mooiste en meest uitbundige energie.
Ik voelde me totaal buiten zinnen, maar die waanzin was niet wanhopig. Er school geen zoeken noch dilemma in, er was geen vraag, geen onvervulde drijfveer, er was geen enkel oogmerk noch een aanwezigheid buiten mezelf om. Mijn kamertje was te klein voor die energie. Ik holde het huis uit de straat op. Ik dacht: vond ik maar iemand om mee te praten, om dit over te kunnen brengen. De energie in mijn lichaam was overweldigend en iedere cel van mijn wezen was vol van een extase die door zijn druk, zijn licht en kracht, bijna ondraaglijk was.
Maar het was midden in de nacht. In geen enkele kamer brandde licht. Ik kon niemand bedenken die ik wakker kon maken en die mijn ervaring zou begrijpen. Maar ik had het gevoel dat al zou ik een vriend tegenkomen, ik mezelf niet zou kunnen uitdrukken. Mijn woorden zouden alleen maar een soort onbeheerst, dichterlijk gebrabbel zijn.
Mijn hoofd deed pijn van de intense energie die mijn hersens verzadigde. Ik dacht: vond ik maar iemand die een aspirine voor me had of iets om me tot rust te brengen. Maar zo iemand was er niet. Uiteindelijk matte ik mezelf af door langs de straten te zwerven en keerde ik terug naar mijn kamer.’
De mystieke ervaring van Erik van Ruysbeek [II]
De mystieke ervaring is voor de taalvaardige Van Ruysbeek moeilijk onder woorden te brengen, omdat taal voor hem te analytisch is. Hij verwijst naar een uitdrukking van Nicolaas van Cusa (coïncidentia oppositorum: het samenvallen der tegenstellingen), voelt zich als datgene wat uit zichzelve is en zegt begrip te hebben voor negatieve taal die minder bevestigend is en meer lijkt op het stamelen van de verbijsterende mens die geconfronteerd wordt met een mysterie. ‘Door te zeggen wat het opperste mysterie niet is, wordt zijn diepste aard geëerbiedigd en het begrip ervoor gelouterd tot niets meer overblijft dan de suggestie van zijn onuitspreekbaarheid en onvoorstelbaarheid. Dit is zowel waar voor de atheïst, de agnosticus als voor de religieuze mens.’
Van Ruysbeek spreekt over mystiek zonder God, maar zegt begrip te hebben voor mensen uit andere culturen of uit vroeger tijden die over Godservaringen spraken, omdat het eenvoudige woord God een vlag is die alle ladingen gemakkelijk dekt. ‘God fungeerde als een soort passe-partout waarin ieder zich naar eigen mogelijkheid kon uitleven.’ De mens is volgens hem een wezen in wording en mensen bevinden zich soms in verschillende stadia, zoals mensen ook verschillende talenten hebben. Opdracht en beoordeling zijn daarvan afhankelijk. Zelf noemt hij een persoonlijke God een antropomorfisme. God is een projectie die in de loop der tijden onvermijdelijk zal worden ingetrokken. Daarom schrijft hij over mystiek zonder God. Aan Jacob Boehme ontleent hij het begrip ‘Ungrund’, dat hij vindt getuigen van een betere en meer eigentijdse benadering.
‘Echte genade is plots geabsorbeerd worden door de ongrond, er wat het ego betreft in vergaan, er totaal in opgaan. Het is de ongrond die plots het ego verdrinkt in zijn universele essentie. Er is niets te winnen. Er is niets te verliezen. Niets hebben is alles zijn. Aan ongrond kan niets worden toegevoegd of afgenomen.’
De mystieke ervaring van Erik van Ruysbeek [I]
Uit: Anders dan we denken / zie boek
~Piet Winkelaar
Zijn boek 'Mystiek en mysterie' uit 1992 begint aldus:
Hij verhaalt over rechtstreekse kennis als een perceptie van het wezen der dingen, een kennis die gesluierd is, onzeglijk, onvatbaar, fundamenteel paradoxaal en die opgaat in een uitblussing van alle weten, omdat het weten dat men dan weet het hoogste weten blijkt te zijn. Van Ruysbeek probeert de lezer daar enig inzicht in te geven door zijn bijzondere ervaringen zo letterlijk mogelijk te beschrijven.
‘… totaal onwetend van wat mij overkwam. Het raakte me als een onwezenlijk wonder. Ik liep, van school terugkerend, zwaar gebogen tillend aan een enorme boekentas, in de zware schaduw van een dubbele rij kastanjebomen van de IJzerlaan, door mijn psychische hel. Vooral innerlijk tilde ik overdreven en schijnbaar uitgeput aan de innerlijke onwaardigheid en allerlei tekortkomingen van mijn persoontje. In de loop van een aantal weken was deze zwartgalligheid gestegen tot een climax van wanhoop en verworpenheid. Aan het eind van de IJzerlaan moest ik door een open plek, waarin licht en vuur van de volle zon plots op mij neerploften. Daar gebeurde het. Ik bleef staan en richtte mijn gelaat naar de zon. Ik keek in de zon. In een wonderbare flits was alles voorgevallen en voorbij. Ik weet nog altijd niet hoe ik dit adequaat moet beschrijven. Ik keek in de zon. De zon trof mij. Iets in mij sprak: ‘Ik en de zon, de zon en ik’, en ik wist dat wij een pact gesloten hadden voor het leven. Nooit, zolang ik in de zon geloofde, zolang ik de zon vertrouwde, zou de zon mij verlaten en mij nog aan mezelf overlaten. Er kon mij niets meer overkomen, ik was voor altijd onkwetsbaar, ik had een oppermachtige bondgenoot gevonden. Meteen werd ik door de zon doorbrand, waren al mijn zwarte problemen opgelost en liep ik licht en gezuiverd, zonder zwaarte, bijna als een engel, langs de Renaissancelaan, die nooit beter haar naam gedragen had, verder. Op dat ogenblik was ik een godenkind en ik vond alles volledig natuurlijk, ja, het enig mogelijke.’
~Piet Winkelaar
Allereerst staan we stil bij de beschrijving van de bijzondere ervaringen van Erik van Ruysbeek. Deze in 1915 geboren Vlaming komt uit een mij nauw verwant taal- en cultuurgebied zodat er niet veel hermeneutiek nodig is om zijn beschrijvingen te kunnen lezen en begrijpen. Hij studeerde Germaanse filologie en schreef diverse romans, dichtbundels en essays. Voor zijn oeuvre ontving hij in 1991 de prijs voor letterkunde van de Vlaamse provincies. Daarna, in 1992 en 1998, schreef hij twee boeken over mystiek waarin hij over zijn religieuze ervaringen verhaalt. Er is in 1995 een televisie-uitzending aan hem gewijd onder de titel: ‘De smaak van honing’, die als video verkrijgbaar is.
Zijn boek 'Mystiek en mysterie' uit 1992 begint aldus:
‘Ik heb lang geaarzeld of ik dit boek nog zou schrijven. Wat ik te zeggen heb schijnt me in het kader van de universele mystieke literatuur zo gering en weinig belangrijk, slechts herhalend wat anderen met meer gezag al zeiden, zo fragmentarisch en weinig diepgaand, zo pover, al heeft het mijn leven gevuld en aan mijn leven zijn volkomenheid gegeven, dat het mij wil voorkomen, dat ik de kikker ben die zichzelf alleen maar opblaast, of de eenoog uit de fabel, die onder blinden even de schijn van koning kan ophouden.’
Hij verhaalt over rechtstreekse kennis als een perceptie van het wezen der dingen, een kennis die gesluierd is, onzeglijk, onvatbaar, fundamenteel paradoxaal en die opgaat in een uitblussing van alle weten, omdat het weten dat men dan weet het hoogste weten blijkt te zijn. Van Ruysbeek probeert de lezer daar enig inzicht in te geven door zijn bijzondere ervaringen zo letterlijk mogelijk te beschrijven.
Ik geef drie van zijn beschreven ervaringen weer, een eerste die plaats vond toen hij 17 was, een tweede op zijn 21ste jaar en een derde toen hij 51 was.
‘… totaal onwetend van wat mij overkwam. Het raakte me als een onwezenlijk wonder. Ik liep, van school terugkerend, zwaar gebogen tillend aan een enorme boekentas, in de zware schaduw van een dubbele rij kastanjebomen van de IJzerlaan, door mijn psychische hel. Vooral innerlijk tilde ik overdreven en schijnbaar uitgeput aan de innerlijke onwaardigheid en allerlei tekortkomingen van mijn persoontje. In de loop van een aantal weken was deze zwartgalligheid gestegen tot een climax van wanhoop en verworpenheid. Aan het eind van de IJzerlaan moest ik door een open plek, waarin licht en vuur van de volle zon plots op mij neerploften. Daar gebeurde het. Ik bleef staan en richtte mijn gelaat naar de zon. Ik keek in de zon. In een wonderbare flits was alles voorgevallen en voorbij. Ik weet nog altijd niet hoe ik dit adequaat moet beschrijven. Ik keek in de zon. De zon trof mij. Iets in mij sprak: ‘Ik en de zon, de zon en ik’, en ik wist dat wij een pact gesloten hadden voor het leven. Nooit, zolang ik in de zon geloofde, zolang ik de zon vertrouwde, zou de zon mij verlaten en mij nog aan mezelf overlaten. Er kon mij niets meer overkomen, ik was voor altijd onkwetsbaar, ik had een oppermachtige bondgenoot gevonden. Meteen werd ik door de zon doorbrand, waren al mijn zwarte problemen opgelost en liep ik licht en gezuiverd, zonder zwaarte, bijna als een engel, langs de Renaissancelaan, die nooit beter haar naam gedragen had, verder. Op dat ogenblik was ik een godenkind en ik vond alles volledig natuurlijk, ja, het enig mogelijke.’
In zijn toelichting schrijft Erik van Ruysbeek dat die ervaring zijn verdere leven sterk heeft beïnvloed. Wanneer het moeilijk werd en donkere wolken hem dreigden te verpletteren volstond het om te zeggen ‘ik en de zon’. Dan was hij weer de eeuwige jongeling van toen. Later ontdekte hij dat alle mystiek begint met een zuivering van de oude mens, die je voorbereidt op een nieuw leven. De oude mens moet verdwijnen en afsterven. ‘Dit afsterven gaat gepaard met een leegte, een angst voor de sprong in het onbekende, de sprong in een nieuwe situatie. Deze zuivering, deze metamorfose was in het symbool van mijn zonne-ervaring met mij gebeurd. Bij gebrek aan intellectueel begrip was ze in mijn lichaam uit zichzelf onweerstaanbaar doorgebroken.’
Abonneren op:
Posts (Atom)